Uitgezonden worden

Gemeente van Jezus Christus,

Het geweldige van het verhaal dat we zojuist in Jeremia hebben gelezen (Jeremia 21:7-13) vind ik, dat Jeremia er geen misverstand over laat bestaan, hoezeer hij gekweld wordt door de opdracht die God hem heeft gegeven.
Hoe hij de naam van God wil verzwijgen, maar dat het hem niet lukt.
De woorden van de Heer die hij moet spreken, hij kan niet anders, maar die hem iedere dag schande en vernedering brengen.
En hoe verschrikkelijk hij het vindt om ook door zijn vrienden uitgelachen en voor gek gezet te worden.
Ik kan me zo goed voorstellen hoe Jeremia lijdt onder zijn lot.
Fantastisch dat hij daar zo open over is.
Maar wat nog veel geweldiger is: het blijft niet bij zijn klacht.
Want midden in al die ellende van uitgelachen worden en voor gek gezet worden, komt daar dat kleine zinnetje ‘Maar de Heer staat mij terzijde als een machtig krijgsman.’ Hij is niet alleen.
En dat brengt een wending in het perspectief van Jeremia.
Niet hij, maar zijn belagers komen ten val.
Niet hij, maar zij worden overladen met eeuwige schande.

Zoals God Jeremia uitzond naar zijn volk, zo zendt Jezus in het verhaal dat we zojuist in het evangelie naar Mattheüs hebben gelezen, zíjn leerlingen uit naar zijn volk (Mattheüs 10:16-33).
Hij zendt ze als schapen onder de wolven.
En dat belooft niet veel goeds.
Daar doet Jezus niet geheimzinnig over.
Hij vertelt ze precies wat hun te wachten staat.
En dat ze er niet op moeten rekenen dat hun een beter lot zal treffen dan Jezus zelf.
Precies over datgene waarover Jeremia zich beklaagt, dat zal ook de leerlingen van Jezus overkomen als zij door hem worden uitgezonden.
Maar ook in het verhaal dat Mattheüs vertelt staat midden in het hoofdstuk een zinnetje dat het perspectief verandert, het verhaal een onvoorziene wending geeft.
Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie, voor je in elke stad van Israël bent geweest, is de Mensenzoon gekomen.’
Nou wordt hierover doorgaans gezegd: die Mensenzoon is helemaal niet gekomen. De missie van Jezus is mislukt.
Ik denk dat dit een misverstand is.
Alsof het erom zou moeten gaan de leerlingen uit die benarde situatie te redden en überhaupt iedereen die het Koninkrijk van God verkondigt, alsof wat je daarin overkomt, het ergste is wat je kan gebeuren en dat je daaruit gered moet worden.
Ik denk dat het het allermoeilijkste is, zowel voor Jeremia als voor de leerlingen van Jezus, om te snappen dat hun ellende niet het belangrijkste is wat er is.
Dat er een belang is dat die aardse ellende te boven gaat.
Het gaat immers om redding, bij Jeremia om redding van het volk, bij Jezus zelfs om zijn volk te redden van de zonde.
Het is niet hun zaak, maar om die van God.
Daarin zijn ze maar een klein schakeltje om die zaak van God vooruit te helpen.
En natuurlijk word je daarbij uitgelachen.
In aards perspectief is dat toch immers te gek om los te lopen?
En toch staat daar dat zinnetje:
Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie, voor je in elke stad van Israël bent geweest, is de Mensenzoon gekomen.’
Ik denk dat het in de eerste plaats betekent dat je, als vervolgde ter wille van Jezus, stopt met vluchten, zodat duidelijk wordt waar je nu eigenlijk voor vlucht.
Voor je belagers of voor jezelf?
Want de mensen die de woorden van God doorgeven, zijn boodschap verkondigen, daar blijft doorgaans één zaak verborgen: geloven ze die woorden, die verkondiging eigenlijk zelf wel?
Aan jou wordt immers dezelfde vraag vraag gesteld als aan al die anderen die jou belagen, namelijk ben je voor of tegen God?
Jeremia moet deze vraag beantwoorden.
Waar sta je zelf eigenlijk?
Aan wiens kant sta je in je hart?
En het antwoord van Jeremia gaat ons niets aan.
De leerlingen van Jezus moeten die vraag ook beantwoorden.
Waar staan ze zelf eigenlijk?
Geloven ze het zelf?
Aan wiens kant staan ze?
En ook hun antwoord gaat ons niets aan.
Want in de verhalen die we zojuist hebben gelezen gaat het uiteindelijk niet over Jeremia of over de leerlingen van Jezus, maar over ons.
De vraag voor hen is ook de vraag voor ons.
Waar sta je?
Ben je voor of tegen?
Dat je vlucht voor deze vraag, dat dat snapt Jezus.
Maar uiteindelijk moet het duidelijk worden.
Maar er komt een moment dat je moet blijven staan.
Iedereen die mij zal erkennen bij de mensen, zal ook ik erkennen bij mijn vader in de hemel.’
Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal ook ik verloochenen bij God.
En dan gaat het niet meer over wat je in het openbaar allemaal zegt, maar in je hart.
In de zaak tussen God en jou gaat het God er uiteindelijk niet om dat je doet wat hij zegt, maar dat je op hem vertrouwt, hem liefhebt zoals hij jou lief heeft.
Waar sta je eigenlijk in je hart?
Waar sta je als het moeilijk wordt?
En dat is een hoogst persoonlijke keuze die belangrijk is tot op de dag van vandaag.
Iedereen heeft daarin zijn en haar eigen geschiedenis, zijn en haar eigen verhaal.
Ik ook.
Ik wil u daar iets over vertellen.
Omdat het niet alleen gaat over de verhalen in het verleden, maar ook over die in het heden.
Ik ben theologie gaan studeren, omdat ik dat de enige studie vond die voor mij van belang was.
Waar ik geen rekening mee hield, was dat ik daarin met Jezus te maken zou krijgen.
Zolang dat alleen was in de boeken die anderen over hem schreven, ging dat nog wel, maar toen ik zelf moest gaan preken werd dat een stuk moeilijker, want eigenlijk wilde ik niets met Jezus te maken hebben.
In de loop van de tijd heb ik me daar op de een of andere manier overheen kunnen zetten en kreeg ik wel een soort affiniteit met hem.
En net toen ik daar zelf in begon te geloven, kreeg ik een droom.
Ik droomde dat ik Jezus zag op een groot videoscherm vlak voor me.
Beneden me was een grote kamer waar het een enorme bende was.
Jezus had een breed gezicht met een keurig geknipte, zwartgrijze baard en was zorgvuldig geschoren.
Hij was niet mijn type, dat voelde ik meteen.
Vanaf het scherm zwaaide hij vrolijk naar mij, maar in zijn ogen zag ik droefheid en ik vroeg mij af, waarom.
Ik las er ook een vraag in en als antwoord op die vraag voelde ik een enorme minachting voor hem in mij opkomen.
Hij was daar voor mij, maar ik vond hem een loser, juist omdat hij daar alleen voor mij was.
Toen was de droom weg.
Ik werd wakker en voelde me ellendig.
Ik schaamde me er verschrikkelijk voor dat ik hem minachtte.
Maar ik kon er niet omheen. Niks affiniteit.
Zo oordeelde ik dus over hem.
Ik kon en wilde het niet mooier maken dan het was.
Een paar dagen later keek ik in een droom vanaf dezelfde plek naar beneden en zag ik dezelfde kamer, maar waar het eerst zo’n bende was, was het nu opgeruimd.
Er stonden ook vier stoelen en op een ervan zat Jezus.
Hij zat daar prima, dat zag ik meteen.
Hij had het naar zijn zin.
Ik dacht dat hij mij niet zag, verschool mij achter de balustrade.
Maar hij zag me wel en zwaaide naar me en nodigde me uit om bij hem te komen.
En ik zat daar achter die balustrade als aan de grond genageld.
Ik wilde niet naar hem toe, want dan moest ik natuurlijk voor hem koken en ik durfde niet naast hem te gaan zitten, want wat moest ik dan zeggen?
Toen werd ik wakker. Wat ben ik voor een mens?
Ik heb nog vaak aan deze droom teruggedacht.
Altijd met spijt dat ik niet ging.
Zou ik ooit nog de kans krijgen om naar hem toe te gaan?
Zou ik het ooit goed met hem kunnen maken?
Jaren later, deze vraag had me nooit echt losgelaten, zou ik met een goede vriendin van mij intuïtief gaan tekenen.
Daarvoor las ik een stukje in één van de kleine profeten, ik weet niet meer welke, en dat raakte me.
Annelies vroeg mij dat gevoel uit te drukken in een tekening.
Ik zei dat ik dat niet kon, maar zij stond erop en ik tekende een kruis met Jezus erop. Dat vond ik eigenlijk vreemd, want Jezus en het kruis komen in het Oude Testament niet voor.
Ze vroeg daarna: ‘En waar ben jij? Teken dat ook.’
Ik tekende weer een kruis, maar nu met mijzelf erop, want ik wist ineens heel helder: ik hoorde daar, niet hij.
En tot mijn verrassing gleed er een last van mij af en voelde ik me bevrijd.
En het was goed tussen Jezus en mij.
Hij had het goedgemaakt.
Iedereen die mij zal erkennen bij de mensen, zal ook ik erkennen bij mijn vader in de hemel.’
Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal ook ik verloochenen bij God.
Het is een keuze die ertoe doet, ook in deze tijd.
En ik zal u vertellen waarom, want ik kreeg nog een droom.
Ik stond langs de kant van de weg tussen heel veel mensen in, die op de paus wachtten.
Juist toen ik me afvroeg wat ik daar eigenlijk deed, ik heb niets met de paus, stond er ineens een man voor me die leek op een plaatje uit een kinderbijbel en die me recht aankeek.
Net op het moment dat ik dacht: waar gaat dit over? keek hij over mijn linkerschouder naar iets schuin achter mij.
Ik volgde zijn blik en zag Jezus.
Ik wist meteen dat hij het was en ook dit: alles draait om hem.
Het heeft een tijdje geduurd eer ik daar verder over na kon denken.
Wat had ik nou eigenlijk gezien en wat betekende dat?
In de verhalen in de bijbel is hij vrijwel nooit alleen.
Vrijwel altijd zijn er mensen om hem heen.
In mijn droom is hij een beetje boven de mensen en keek hij recht voor zich uit zonder iemand of iets te zien.
In de verhalen in de bijbel staat hij in het licht, zelfs als het donker is.
Maar in mijn droom was het donker waar hij was.
Hij stond daar niet in de openbaarheid, maar in het verborgene.
Hij stond daar zonder referentiekader, zelfs zonder hemel en aarde, als een onomstotelijk feit.
Los van alle verhalen, los van alle betekenissen, alle dogma’s, meningen, geloof en ongeloof, los van alles wat wij van hem vinden, los van alles was hij daar. Onaantastbaar en onwankelbaar.
Wat er ook over hem gezegd wordt, wat hem ook wordt aangedaan, hij wordt daar niet anders van en wat hij betekent ook niet.
Maar jij en ik, zijn we voor of tegen?
Die keuze verandert alles.
Die keuze verandert ons leven.
Die keuze brengt je op je bestemming.

Amen.

Reacties zijn gesloten.