Mattheüs 4:12-22
In dit verhaal het verhaal vertelt Mattheüs erover hoe en waar Jezus met zijn verkondiging is begonnen.
Maar eerst citeert hij uit wat Jesaja heeft gezegd over een paar stammen in het oude Israël.
Zo legt Mattheüs een verbinding tussen de verkondiging van Jezus en de verhalen in het Oude Testament.
Hij laat zien dat Jezus en zijn verkondiging niet zomaar uit de lucht komen vallen, maar dat er een lange geschiedenis aan vooraf is gegaan.
Maar juist hierdoor vroeg ik me af hoe Jesaja eigenlijk begonnen is.
En dat vond ik in Jesaja hoofdstuk 6 en daar wil ik u even mee naartoe nemen.
Daarin wordt verteld dat Jesaja een overweldigende spirituele ervaring heeft.
Hij ziet engelen en hoort ze roepen: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’
Jesaja beseft dat hij onrein is en leeft te midden van een onrein volk en vreest dat hij verloren is.
Maar God raakt zijn lippen aan en daarmee zijn zijn schulden teniet gedaan en zijn zonden vergeven.
En God zegt: ‘Wie kan ik sturen, wie kan namens ons gaan?’
En Jesaja zegt: ‘Hier ben ik, zend mij.’
Hij staat als het ware te popelen om te gaan vertellen wat hij gezien en gehoord heeft.
Maar dan waarschuwt God hem en zegt Hij iets heel vreemds
‘Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.
Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht.
Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren en met hun hart niet begrijpen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’
Het staat er echt.
En dan vraagt Jesaja: ‘Hoe lang, Heer?’
En God antwoordt: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij.
Totdat de Heer de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst en als er nog één tiende deel achterblijft, dan zal ook dat vernietigd worden, zoals er van een eik of terebint na het vellen slechts een stronk overblijft.
Maar: … wat uit die stronk voortkomt is heilig.’
Jesaja heeft niet meegemaakt wat er daarna in de geschiedenis van het volk Israël is gebeurd,
Hij weet niets van de vreemde volkeren die het land hebben bezet, bewoners hebben weggevoerd, het land hebben verwoest.
Hij weet er niets van dat God eeuwen lang niets van zich heeft laten horen.
Alles was verloren
Maar het Woord van God niet.
Ineens klinkt er een stem bij de Jordaan, in de woestijn van Judea: ‘Kom tot inkeer, want het Koninkrijk van de hemel is nabij.’
En de mensen komen overal vandaan, uit Jeruzalem, uit Judea en de omgeving van de Jordaan.
En Jezus komt ook.
In Galilea heeft Hij de stem van Johannes gehoord.
Ook Hij laat zich dopen en gaat wonen in Galilea, in het land van Zebulon en Naftali, twee van de zonen van Jacob.
Namen van stammen van Israël die verloren waren gegaan en nu hun plek weer innemen in de geschiedenis van God met zijn volk.
‘Het volk dat in duisternis leefde zag een schitterend licht en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’
Voorbij zijn de verlorenheid en de verlatenheid.
Er is een licht over opgegaan toen Jezus daar ging wonen.
Vanaf dat moment begint Jezus zijn verkondiging: ‘Kom tot inkeer, want het Koninkrijk der hemelen is nabij.’
God heeft jullie niet vergeten. Jullie horen erbij, voor altijd.’
Jezus heeft dezelfde verkondiging als Johannes de Doper.
Maar er is één groot verschil: bij de verkondiging van Jezus gebeurt er niets.
Er komt geen sterveling op af.
Niemand wordt erdoor aangesproken.
Hij wordt door niemand gezien, door niemand gehoord.
Net als Jesaja in zijn tijd.
Maar Jezus weet wie Hij is.
Gods geliefde zoon.
En Hij weet ook, wat Hij wil: Hij wil Gods liefde laten zien.
En daar begint Hij niet onbezonnen aan.
Hij weet dat zijn tijd beperkt is, maar ook dat zijn verkondiging altijd door moet gaan.
Tot de hele wereld weet van de trouw en de liefde van zijn Vader.
Het eerste wat Hij doet is die verkondiging veilig stellen, want die moet doorgaan als Hij er niet meer is.
En hij roept een paar vissers om hem te volgen, om zijn leerling worden, te worden als hij.
Die vissers weten nergens van, gaan zomaar in een impuls een totaal ander leven leiden.
Ze wisten niet waar ze aan begonnen.
Wat het van ze zou vergen.
Wat het ze zou opleveren…
‘Ik zal jullie vissers van mensen maken….’
Hoezo? Hoe doe je dat?
Geen idee wat dat te betekenen heeft.
Het is het begin van een turbulente geschiedenis die uitmondt in dood en opstanding van Jezus en Pinksteren. En de verkondiging ís doorgegaan.
En nu, eeuwen later, hebben wij op de een of andere manier die verkondiging van Jezus gehoord en die allemaal op onze eigen manier verstaan.
We hebben die niet naast ons neergelegd, maar geven er gehoor aan, proberen ons iets voor te stellen bij dat koninkrijk der hemelen.
Snappen dat dat iets te maken heeft met wat Jezus heeft gedaan.
Volgen hem in het doen van kleine daden van menselijkheid.
We hebben ons laten vangen in zijn net.
Niet langer zijn we als vissen op het droge, snakkend naar adem.
Maar juist in dat net kómen we op adem.
We laten ons niet opjagen tot het doen van wat onmogelijk is, het doen van taken die niet voor ons zijn weggelegd.
Maar zien geduldig uit naar de vervulling van de belofte van de Heilige van Israël aan de wereld en aan zijn volk..
In rustig vertrouwen, zonder angst voor vreemde heersers, onvoorspelbare machthebbers.
Geloof in Gods trouw.
In zijn hand zijn wij geborgen voor nu en altijd.
Amen.